
Zodra we vooraan staan, lijkt het alsof we plots alles moeten weten. Alsof iedere vraag uit het publiek een test is waarvoor je moet slagen. Maar zo kijk ik er niet naar.
Ik heb ooit geleerddat een mens elke dag tienduizenden gedachten heeft. En dat een groot deel daarvan niet bepaald onze beste supporters zijn. Dat merk ik ook wanneer ik moet presenteren.
Want hoe vaak ik ookvoor een groep sta, ook bij mij komen die gedachten soms langs.
Mijn eerste presentatiecoach, Arold P.R. Langeveld, gaf die stemmen ooit een gezicht: Statler en Waldorf, de twee oude mannen uit The Muppet Show die vanaf hun balkon werkelijk overal commentaar op hadden.
Ik ben die vergelijking nooit vergeten. Want soms voelt presenteren inderdaad zo.
Alsof Statler en Waldorf op je schouders zitten.
De ene fluistert: “Je bent hier niet klaar voor.”
De andere vult aan: “Straks stellen ze een vraag waarop je het antwoord niet weet.”
En hoe meer je naar hen luistert, hoe groter ze worden. Je gaat sneller praten. Je probeert krampachtig je tekst te herinneren. Je bent bezig met wat er fout kan gaan, met hoe je overkomt en met wat mensen van je zullen denken.
Terwijl je eigenlijk maar met één ding bezig zou moeten zijn: Wat wil ik hiervertellen?
Voor mij ligt precies daar de sleutel tot stressvrij presenteren.
In Jouw verhaal. Jouw kennis. Jouw kracht.
Een goede presentatie begint voor mij niet met slides. Ze begint met weten wat je wilt vertellen.
Wat moeten mensen begrijpen?
Wat wil je dat ze onthouden?
Waarom is dit verhaal belangrijk?
Hoe beter dat verhaal in je hoofd zit, hoe minder je afhankelijk wordt van uitgeschreven teksten, bullets of slides die je vertellen wat je moet zeggen.
Je hoeft je presentatie niet uit het hoofd te kennen.
Je moet vooral je verhaal kennen.
Soms leggen we delat voor onszelf ontzettend hoog.
Zodra we vooraan staan, lijkt het alsof we plots alles moeten weten. Alsof iedere vraag uit het publiek een test is waarvoor je moet slagen. Maar zo kijk ik er niet naar.
Je hoeft niet alleste weten. Je moet vertrouwen op wat je wél weet. Op jouw ervaring, jouw expertise en de reden waarom jij daar vooraan sta. En als iemand een vraag stelt waarop je het antwoord niet ken, dan mag je dat zeggen.
Misschien zit het antwoord wel bij iemand anders in de zaal. Misschien weet een collega er meer over. Misschien zoek je het op en kom je er later op terug.
Presenteren betekent niet dat je het alleen moet doen.
Dat besef haalt al ontzettend veel druk weg.
En uiteindelijk gaat het ook over durven presenteren zoals jij bent.
Niet proberen te klinken als die fantastische keynote speaker die je ooit zag. Niet plots een andere persoonlijkheid aannemen omdat je voor een groep staat.
Ik geloof dat je het sterkst presenteert wanneer je dicht bij jezelf blijft.
Vanuit je eigen stijl.
Vanuit je eigen ervaring.
Vanuit je eigen enthousiasme.
Vanuit je eigen kracht.
Dat betekent niet dat alle zenuwen plots verdwijnen.
En waarschijnlijk verdwijnen Statler en Waldorf ook nooit helemaal van mijn schouder.
Maar ze bepalen niet langer je verhaal.
Dat is wat graag noem stressvrij presenteren.
Niet presenteren zonder spanning.
Wel voldoende aandacht geven aan je verhaal om erop te kunnen vertrouwen.
Vertrouwen op de kennis die je hebt, zonder het gevoel dat je alles moet weten.
En vervolgens voor die groep gaan staan en je verhaal brengen op een manier die bij jou past.
Jouw verhaal.
Jouw kennis.
Jouw kracht.
Misschien is dat uiteindelijk wel het beste antwoord op die twee vervelende mannetjes op je schouder.